Fort Voordorp maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In het kader van aankomende herbestemmingsplannen heeft Lotte Zaaijer in opdracht van Hylkema Erfgoed een bouwhistorische verkenning uitgevoerd en uitgangspunten voor transformatie geformuleerd.

Fort Voordorp is tegelijk met de forten Ruigenhoek, Rijnauwen en Vechten aangelegd in de periode 1867-1871. De forten waren op een afstand van ca. 3,5-4 kilometer van de toenmalige stadsrand van Utrecht gesitueerd en vormden de tweede linie die de stad moest beschermen tegen vijandelijke aanvallen. In 1873 werd het getrokken achterlaatgeschut ingevoerd dat een bereik had van ca. 6,5-8 km. Hiermee kon Utrecht onder vuur genomen worden vanuit de bossen van Zeist en De Bilt. Het fort werd daarom al in 1878/ 1879 (acht jaar na de bouw!) ingrijpend aangepast: het forttracé werd gewijzigd en de bomvrije gebouwen uitgebreid, aangepast en vernieuwd. Tijdens de eerste en tweede wereldoorlog is het fort in staat van verdediging gebracht. In 1960 werd het fort officieel opgeheven als vestingwerk. Sinds 1990 is het in het bezit van de huidige eigenaar die het exploiteert als evenementenlocatie.

Het wachtgebouw is in twee bouwfases tot stand gekomen: het linker deel in 1869-1870 en het rechter deel in 1878-1879.

Langs de laan zijn restanten van emplacementen en traversen te zien.

Het raadhuis-ensemble in Waalwijk wordt beschouwd als het levenswerk van de architect Alexander Jacobus Kropholler, vanwege zijn langdurige en intensieve betrokkenheid. Hij ontwierp het raadhuis-ensemble in verschillende fasen tussen 1929 en 1962. Samen met architectuurhistoricus Leon Sebregts werkte ik in opdracht van de gemeente Waalwijk aan een bouwhistorische verkenning van het raadhuis in Waalwijk. Met het oog op toekomstige ontwikkelingen onderzochten we de bouwgeschiedenis, beschreven we het exterieur en interieur en stelden we een interne waardestelling op. De beschrijving van het interieur had het karakter van een ruimteboek.

Bouw van het raadhuis in 1932. Bron: Beeldbank SALHA

Raadhuisplein, vlak na de oplevering. Bron: Beeldbank SALHA

Interieur centraal trappenhuis en raadzaal. Bron: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De Oostpoort is een eyecatcher in het stadsbeeld van Delft. Oorspronkelijk had de stad acht stadspoorten, alleen deze is behouden. In opdracht van BOEi en in het kader van een herbestemmingsonderzoek heb ik samen met Jeroen van der Kuur een bouwhistorische verkenning uitgevoerd naar de Oostpoort.

De Oostpoort bestaat uit een landpoort, waterpoort en een weermuur. De oudste kern van de poort dateert waarschijnlijk uit de veertiende eeuw. Oorspronkelijk maakte de stadspoort onderdeel uit van de stadsmuur en bevond zich voor de landpoort een ommuurd rondeel in de gracht. In de achttiende eeuw verloren de poorten hun functie en werden de ommuring en voorpoort op het rondeel afgebroken. In de negentiende eeuw volgde de afbraak van de stadsmuur en alle stadspoorten in Delft, met uitzondering van de Oostpoort. In 1964 heeft een flinke restauratie plaatsgevonden. Met het restauratieplan is teruggegrepen op de situatie voor de achttiende eeuw, toen de poort nog een volledig verdedigende functie had. Zo zijn in de weermuur de bogen en schietgaten teruggebracht.

Oostpoort vanaf de oostzijde, door A. Rademaker, 1700 (bron: Stadsarchief Delft).

Oostpoort vanaf de noordoost zijde, 1765, door H. Thier. (bron: Stadsarchief Delft).

Oostpoort vanaf de westzijde, 1918-1928, door fotograaf Cool (bron: Stadsarchief Delft).

Huidige weermuur, met bogen aan de straatzijde en schietgaten aan de waterzijde.

 

De voorgevel van het pand Geldersekade 39 valt op door de onvolledige top. Aan de achterzijde bevindt zich een fraaie klokgevel. Stadsherstel Amsterdam heeft het pand aangewezen als jubileumpand, ter ere van hun 65 jarig bestaan, wil het restaureren en de top herstellen. In dat kader heeft Lotte Zaaijer in samenwerking met Jeroen van der Kuur een bouwhistorische verkenning en een verdiepend onderzoek uitgevoerd.

Het pand is in de tweede helft van de zeventiende eeuw gebouwd, als koopmanshuis. Het pand bestaat uit een voorhuis, kleine binnenplaats en achterhuis. Het achterhuis is door middel van een verbindingslid aan de linker zijde gekoppeld met het voorhuis. In het voorhuis en achterhuis is de zeventiende eeuw structuur behouden, maar de voor- en achtergevel van het voorhuis zijn eind negentiende eeuw volledig vernieuwd (waarbij hergebruikte kozijnen en ramen zijn toegepast). Ook het winkelinterieur dateert uit die periode.

Gevel en doorsnedes van de huidige situatie. De tekeningen zijn gemaakt door de architect Frank V. Smit.

In de negentiende eeuw werd het pand een winkelhuis. De voorgevel is in 1892 voorzien van een nieuwe winkelpui en geveltop die vermoedelijk beiden zijn ontworpen door de aannemer/ timmerman J.J.P. Thüring. In de achtergevel is de klokgevel opmerkelijk. Deze is vermoedelijk afkomstig van de voorgevel en in 1892 overgeplaatst naar de achtergevel: het past en zou logisch zijn, maar er blijven ook vragen.

 

Stadsherstel Amsterdam neemt u in onderstaande berichten mee in de zoektocht naar de geveltop.

 

Opdrachtgever: Stadsherstel Amsterdam
Product: Bouwhistorische verkenning met waardestelling, aanvullend verdiepend onderzoek
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: maart – oktober 2021

Huis Sandwijck, ook wel bekend als het ‘huis met de roze erkers’, ligt aan de Utrechtseweg in De Bilt. In opdracht van Stadsherstel Utrecht heeft Lotte Zaaijer een bouwhistorische verkenning uitgevoerd. Parallel aan dit onderzoek werkt Rosan Scheres (History by Design) aan een kleurhistorisch onderzoek om de oorspronkelijke kleurstelling te achterhalen.

Het huidige huis is in 1770 gebouwd in opdracht van Adriana en Paul Engelbert Voet van Winssen die de gronden in 1759 hadden verworven. De voorgevel is vormgegeven in de Lodewijk XVI-stijl en in de gevel zijn schuifvensters aanwezig met drie ruiten brede ramen.

Tien jaar nadat de parkaanleg is vernieuwd wordt in 1846 ook het landhuis flink verbouwd en aan de achterzijde uitgebreid ten behoeve van dienstvertrekken. Dit werd gedaan in opdracht van Elisabeth Petronella Both Hendriksen (1809-1880) en Christian Willem Johan baron van Boetzelaer (1806- 1872). In de achtergevel staat in een hardstenen pilaster: ‘jonkvr. W.E.C. van Boetzelaer, 19 aug 1846’. Dat moet de tweede dochter van de opdrachtgevers zijn, Wilhelmina Elisabeth Charlotta van Boetzelaer (1837- 1905). Tijdens die verbouwing is ook de voorgevel vernieuwd, zijn de vensters vergroot en is de entreehal verfraaid.

In 1857 is de oostgevel doorgetrokken om de keuken te vergroten en een zij-ingang te realiseren. Omstreeks 1875 zijn tegen de westgevel een ijzeren serre en tegen de oostgevel de twee kenmerkende ijzeren veranda’s met terra cotta decoraties aangebracht. In diezelfde periode werd de zij-ingang door middel van een portiek opgewaardeerd tot hoofdingang. De in onbruik geraakte hoofdingang in de voorgevel werd voorzien van een balustrade.

In 1916 werd de ijzeren veranda aan de westzijde vervangen door een houten serre, naar ontwerp van Jan Stuivinga (1881-1962). In 1926 is het interieur van de aan de serre grenzende woonkamer vergroot en vernieuwd, ook naar ontwerp van Stuivinga.

In 1963 werd huis Sandwijck verkocht aan de gemeente Utrecht en in 1967 aan Universiteit Utrecht. Het pand stond leeg, raakte in verval en vrijwel alles van waarde werd uit het huis ontvreemd. Er werd zelf een sloopvergunning aangevraagd, maar die ging niet door omdat het huis werd gekraakt. De krakers gingen zelf aan de slag om het leeggeroofde en vervallen pand te restaureren. In de periode 1989- 1991 is het pand grootschalig gerestaureerd waarbij binnen de bestaande structuur twintig wooneenheden zijn ingepast. In 2020 is huis Sandwijck gekocht door Stadsherstel Utrecht.

Opdrachtgever: Stadsherstel Utrecht
Product: Bouwhistorische verkenning met waardestelling
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: maart – oktober 2021

Het pand Herengracht 475 maakt onderdeel uit van een bouwblok in de Gouden Bocht en heeft een bijzonder rijk vormgegeven exterieur en interieur. In opdracht van BOEi heeft Lotte Zaaijer in samenwerking met Rachel Halverstad een bouwhistorische verkenning uitgevoerd voor dit pand.

Het pand is tussen 1665 en 1670 gebouwd in opdracht van Denijs Nuyts en naar ontwerp van Cornelis Danckerts. Het ontwerp bestond uit een dubbel woonhuis in het midden, waarvan de voorgevel was voorzien van een omlijste entree en een timpaan, en aan weerszijde daarvan een enkel woon­huis. Het ontwerp is deels uitgevoerd.

Ontwerptekening van Cornelis Danckerts uit 1680 (bron: Grachtenboekje van Cornelis Danckerts uit 1680). Het ontwerp bestaat uit een vijf vensterassen breed woonhuis in het midden en aan weerszijden drie vensterassen brede huizen. De rechter beuk is later samengevoegd met het rechter pand (thans Herengracht 477).

In 1730 wordt Herengracht 475 verkocht aan Petronella van Lennep – De Neufville (1686-1749) die het pand vervolgens ingrijpend heeft verbouwd en gemoderniseerd. Zij bracht in 1731-1732 over de volle breedte van 15 meter de huidige in Lodewijk XIV-stijl uitgevoerde zandstenen beklamping aan tegen de bestaande gevel. In het interieur liet zij in de gang en het trappenhuis een rijk bewerkte versiering in stucwerk aanbrengen. Het stucwerk is in 1736 gemaakt door de bekende beeldhouwer en sierstucwerker Jan van Logteren. De gang is symmetrisch van opzet, de deuren zijn deels echt en deels uitgevoerd als schijndeuren. Het interieur van de grote suite en de rechter zijkamer zijn in die periode ook vernieuwd. In de rechter zijkamer zijn de wandschilderingen uitge­voerd door Isaac de Moucheron (1667-1744). Deze kamer staat nu bekend als de ‘Moucheronkamer’.

Gevelwand van Herengracht 473-477 naar tekening voor het grachtenboek van Caspar Philips, omstreeks 1770. Het ontwerp van Danckarts van Herengracht 471 en 473 is behouden, Herengracht 475 en 477 hebben een 18de eeuwse gevel gekregen. (bron: Van Eeghen, 1968)

Het huis werd in 1792 ver­kocht aan Jan Gildemeester (1744-1799), hij maakte van de linker voorkamer en grote suite een museum. Deze ruimten heeft hij door Adriaan de Lelie in 1794/1795 laten vastleggen. In 1907 werd het pand gekocht door de Hollandse Sociëteit van Levens­verzekeringen en herbestemd tot kantoor. De architect C.B. Posthumus Meyjes heeft het ontwerp gemaakt voor de herinrichting van het pand. Tussen 1964-1966 is het pand gerestaureerd. De ruimten hebben al die tijd hun representatieve functie behouden.

Schilderij van A. de Lelie uit 1794/1795 toont de zaal met Gildemeesters schilderijencollectie. (bron: Rijksmuseum)

 

De linker voor- en achterkamer werden vanaf 1907 gebruikt als vergaderzaal voor de directie van de Hollandse Sociëteit van Levensverzekeringen (bron: Adriaanse 1967)

Huidige situatie

Opdrachtgever: BOEi
Product: Bouwhistorische verkenning met waardestelling
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: maart 2021

De Ommedijker Hoeve ligt aan de Ommedijk, op een hoger gelegen deel in de Klaas Engelbrechtpolder (Midden-Delfland). In aanloop naar transformatieplannen is in opdracht van Converse Architects een bouwhistorische verkenning uitgevoerd. Restauratiearchitect Marieke van den Dungen deed de bouwtechnische opname.

De Ommedijker Hoeve is in 1902 als een beleggingsobject gerealiseerd in opdracht van de Fundatie van Renswoude te ’s Gravenhage. De boerderij is ontworpen door de architect M.A. de Zwart, het was toen vrij uitzonderlijk dat een boerderij door een architect werd ontworpen.

De boerderij is herkenbaar als weidebedrijf, met eigenschappen van een modelboerderij. Kenmerkend voor een weidebedrijf zijn onder meer de opdeling in een woon- werk- en stalgedeelte. In het werkgedeelte was een grote boenhoek in de buurt van een karnmolen en melkkelder. De melkkelder (type Deense kelder), de schouw met waterfornuis en oven en de dub­bele brandmuur zijn nog aanwezig. Aan de erfzijde is een kamer met erker, met zicht op het erf, waar het dagelijks leven plaatsvond.

De Fundatie van Renswoude was een kapitaalkrachtige opdrachtgever die streefde naar optimale oplossingen voor zijn investering. Dat is vermoedelijk de reden dat is gekozen voor troggewelfjes op een staalconstructie (brandveilig), tuinderslorrie in de voergang (efficiënte bedrijfsvoering) en een ventilatiesysteem met ventilatiekokers boven de stal en ventilatieope­ningen met schuifluikjes in de zijgevel.

Opdrachtgever: Converse Architects
Product: Bouwhistorische verkenning
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: maart 2020

Aan de rand van Groot Schuylenburg liggen vier gebouwen die tot stand zijn gekomen als onderdeel van de joods psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. In het kader van transformatieplannen is in samenwerking met Jojanneke Clarijs en in opdracht van Arcadis een bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd voor de vier gebouwen: een keukengebouw, wasgebouw, directeursvilla en paviljoen. De eerste drie gebouwen dateren uit 1907 en zijn ontworpen door de architecten E.M. Rood en F.W.M. Poggenbeek, het paviljoen is in 1914/1915 gerealiseerd naar ontwerp van E.M. Rood.

Kenmerkend voor het keukengebouw is de symmetrische plattegrond, dit maakt afleesbaar dat dit gebouw is ontworpen voor de Joodse gemeenschap, er waren twee identieke afdelingen die strikt gescheiden waren, voor mannen en vrouwen en de bereiding van vlees en zuivel. Op de verdieping waren kamers voor het personeel.

Het keukengebouw, paviljoen en villa Ribes zijn uitgevoerd als meerlaagse gebouwen met homogeen gepleisterde gevels en accenten in rode verblendsteen (hoofdgebouwen). Het oudste deel van het wasgebouw is uitgevoerd als eenlaags gebouw met vakwerkgevels (bijgebouw, zoals ook de barak, werkplaats). Het wasgebouw werd in 1915 uitgebreid en opgewaardeerd met een tweelaags bouwdeel met homogeen gepleisterde gevels. Reden was waarschijnlijk de prominente ligging aan de Zutphensestraat.

Paviljoen Hannah was een zorggebouw met afzonderlijke patiëntenkamers voor de eerste klasse en kleine slaapzaaltjes voor de tweede klasse, deze indeling is grotendeels behouden. Oorspronkelijk waren ter plaatse van de kamers van de patiënten (zuidgevel) ramen met kleine ruiten toegepast, bij de overige vensters waren ramen met grotere ruiten aanwezig. Het verschil tussen de zuidgevel en overige gevels is op hoofdlijnen aanwezig.

 

Opdrachtgever: Arcadis
Product: Bouwhistorische verkenning
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: november 2020

 

In opdracht van Stadsherstel Amsterdam heeft Lotte Zaaijer een bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd voor Nieuwezijds Voorburgwal 282 in Amsterdam, nu bekend als het Betty Asfaltcomplex van Paul Haenen.

Twee smalle panden uit 1544-1598 vormen de oudste kern van het pand De Parcen (het rechter deel op het bovenstaande gevelaanzicht). In 1613 ontstond de huidige grondvorm van het voorhuis toen de twee panden naar achteren werden uitgebreid. Het pand is in 1727-1732 in Lodewijk XIV stijl gemoderniseerd in opdracht van het echtpaar Cornelis Backer en Margaretha Bicker. Het pand kreeg een nieuwe gevel, achterhuis, interieurindeling en interieurafwerking waarbij het stucwerk in de gang en houtsnijwerk van de trap werd gerealiseerd door de bekende beeldhouwer Ignatius van Logteren (1685-1732). In het stucwerk in de gang werd het familiewapen Bicker aangebracht. De twee dwarskappen werden vervangen door drie lage achter elkaar geplaatste langskappen.

In 1862 werd De Parcen verkocht aan de gemeente, in 1870 is het perceel samengevoegd met dat van De Regte Cromhout (het pand links van De Parcen). De Regte Cromhout werd na het samenvoegen vermoedelijk vrijwel volledig vernieuwd; de lijstgevel van De Parcen zal toen doorgetrokken zijn, maar aanvankelijk zonder eigen en­tree.

Tussen 1910 en 1957 vestigde de Prinsenschool zich in het pand, dit was een meisjesschool en op de bovenste verdieping woonde de directeur van de school. Deze herbestemming bracht een flinke verbouwing met zich mee. In 1963 werd het pand herbestemd tot theater en opnieuw werd het pand verbouwd, in opdracht van cabaretier Sieto Hoving van theater Tingel Tangel. Tijdens deze bouwfase werd onder meer in de voorgevel van De Regte Cromhout een entree aangebracht. In 1989 is het theater overgenomen door Paul Haenen en omgedoopt tot het Betty Asfalt Complex. In 2019 werd het pand verworven door Stadsherstel.

 

Opdrachtgever: Stadsherstel Amsterdam
Product: Bouwhistorische verkenning
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: september 2020

 

De St. Martinuskerk ligt binnen de vesting van Zaltbommel. in het kader van transformatieplannen voor de kerk en naastgelegen pastorie is een bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd, in opdracht van de St. Martinusparochie.

De oudste kern van de kerk dateert uit 1781. Dit was een schuilkerk die was gebouwd op een ter beschikking gesteld stuk grond, de huidige locatie aan de Oliestraat, van deze schuilkerk resteert alleen nog wat muurwerk. De pastorie stond aan de straatzijde, daarachter stond de kerk. In 1838 wordt de pastorie, die in een slechte staat verkeert en onbewoon­baar was verklaard, gesloopt en wordt de kerk naar voren uitgebreid. De nieuwe kerk betreft een waterstaatskerk, waarvan er tussen 1824 en 1875 velen zijn gebouwd. Deze is uitgevoerd onder verantwoor­delijkheid van H.F. Fijnje (ingenieur van Rijkswaterstaat) en naar ontwerp van E. Kroon (opzichter bij Rijkswaterstaat). De kerk werd voorzien van een imposante voorgevel met Neo-classicistische details en een klokkentoren. De pastorie wordt in de tuin ten noorden van de kerk herbouwd. In 1938-1939 is de kerk naar achteren uitgebreid, naar ontwerp van ir. J. Franssen uit Roermond (1893-1968). Daartoe is het achterste deel van de schuilkerk uit 1781 gesloopt.

In de kerk zijn de bouwfases van de waterstaatskerk en uitbreiding uit 1938 goed afleesbaar in de gevels, constructie en interieur. In de pastorie overheerst de Empire bouwstijl.

 

Links een detail van de waterstaatskerk: een deur met daarboven een beeldnis. Rechts de constructie van de blaasbalg die zich in de ruimte naast het orgel bevindt.

 

Opdrachtgever: St. Martinusparochie
Product: Bouwhistorische verkenning
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: maart 2020

De rijksmonumentale boerderij Rust-hove krijgt een nieuwe bestemming. Gelegen in het karakteristieke veenweidegebied nabij Gouda wordt dit een nieuwe plek voor wonen, werken en recreëren. Om deze herbestemming mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Maar voor het zover is, is eerst een herbestemmingsonderzoek uitgevoerd waarbij de kaders voor de planvorming in kaart zijn gebracht. Een cultuur- en bouwhistorische verkenning naar het erf en gebouwen maakte daar onderdeel van uit.

De boerderijbouw is vaak streekgebonden. De opzet van het erf van boerderij Rust-Hove is kenmerkend voor de Krimpenerwaard. Kenmerkend is de oprit die vanaf de dijk over het erf naar het achtergelegen gebied loopt. De hoofdboerderij ligt aan de dijk, waarbij het representatieve voorhuis (1753) op de straat is georiënteerd en het achterhuis (1924) op het erf en de weilanden. Tegen (de kaasmakerij in) het achterhuis is een boenstoep gebouwd, oorspronkelijk was deze aan het eind van een sloot gelegen. Hier werden materialen van de kaasmakerij schoongemaakt en melkbussen gekoeld. Direct achter het achterhuis staat een hooiberg, dichtbij de stalruimte. Langs de oprit staan bijgebouwen, met aan de straatzijde een wagenloods, daarachter varkensschuren met een uitloop aan de buitenzijde.

Marieke van den Dungen maakte een ontwerp voor het gehele erf, waarbij oud, nieuw, duurzaam en groen samenkomen in een nieuw plan. De opdrachtgever legt het herbestemmingsproces vast in deze inspirerende vlogreeks.

Opdrachtgever: Particulier
Product: Bouwhistorische verkenning
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: maart 2020

De St. Augustinuskerk (rijksmonument) ligt in het centrum van Utrecht. In het kader van plannen voor toekomstige nevenfuncties is in opdracht van gemeente Utrecht een bouwhistorische verkenning met waarde­stelling en herbestemmingsprofiel opgesteld. In het herbestemmingsprofiel zijn op basis van kernwaarden de uitgangspunten voor transformatie benoemd. Hierin wordt aangegeven welke aanpassingen mogelijk zijn zonder dat de kernwaarden aangetast worden.

De kerk is in 1838-1840 gerealiseerd naar ontwerp van de architect K.G. Zocher in neoclassicistische stijl. Het is de eerste grote katholieke kerk die in Utrecht werd gebouwd na het herstel van de godsdienstvrijheid.

Een van de kernwaarden is de ligging als onderdeel van een historische gevelwand en de presentatie van het manifeste gevelfront richting de Oudegracht. De voorgevel markeert de bijzondere betekenis en functie van het kerkgebouw. De toren hoort bij de herkenningspunten in de binnenstad.

Een andere kernwaarde betreft de opzet als langgerekte eenbeukige zaalkerk met dubbel balkon (tribune en orgelbalkon). Vanuit het schip en vanaf de tribune is goed zicht op het priesterkoor. Met de tribune is de capaciteit van deze binnenstedelijke kerk geoptimaliseerd. Het orgelbalkon maakt onderdeel uit van de ‘orgelbiotoop’ (samen met het orgel, orgelkas, de achtergelegen ruimte voor de blaasbalg en  akoestiek in de zaal).

Een kernwaarde van het interieur is de wandopbouw met een sober vormgegeven basement (waardoor de aandacht gericht is op het priesterkoor en de kruiswegstaties), en de rijke interieurafwerking daarboven (met pilasters tussen de vensters en rijk gedecoreerd koepelgewelf).

Opdrachtgever: gemeente Utrecht
Product: Bouwhistorische verkenning met waardestelling en herbestemmingsprofiel
Status gebouw: Rijksmonument
Periode: sept. – dec. 2019